|
Okt
30
|
Ik had het Bianca beloofd. Ik zou deze maand mijn best doen om ook een bijdrage te leveren aan het Foodlog event van oktober.
Maar ja, paddestoelen bleek een pittig onderwerp te zijn, waar bij komt dat ik zelf ook nooit zo vaak kook met paddestoelen. Ja, champignons. Maar de gedachte aan ‘paddestoelen’ , dan denk je toch eerder aan oesterzwam, eekhoorntjesbrood of shii-take’s.
Toch niet de eenvoudige champignon?
Aan de andere kant: feit blijft dat het een paddestoel is. Dus waarom niet?
Bovendien zijn champignons het hele jaar door te krijgen, en kun je onderstaand bij wijze van spreken zelfs midden in de winter, na een lekkere wandeling in de sneeuw, prima serveren. Moet het dit jaar natuurlijk wel een keertje gaan sneeuwen…
En wederom maak ik gebruik van de roux die ik vorige week beschreef. Blijft toch een van de meest veelzijdige basis-technieken in de keuken.
Ingredienten
Bereiding
Maak de champignons schoon, en snij 75 gr er van in kleine stukjes. Snipper de ui. Doe wat olijfolie in een pan, en fruit de ui en gesnipperde champignongs hierin.
Snij intussen de rest van de champignons in partjes, en bak ze mee. Bestrooi het geheel met wat peper, rozemarijn en thijm.
Als het lichtbruin is gebakken, doe de boter erbij en laat smelten. Strooi er dan de bloem overheen, en roer goed door.
Doe beetje voor beetje de boullion erbij tot een mooie ragout is ontstaan. Het kan zijn dat je iets meer of minder buollion nofig hebt. Beetje op gevoel dus.
Snij het topje van de Italiaanse bollen, en hol ze uit. Als de ragout klaar is, vul dan de bollen met de ragout, en strooi er nog wat gesnipperde peterselie overheen.
"Een beetje van jezelf, en een beetje van Maggi!"
De bekende slogan van de grootindustrieel, die huisvrouwen (want laten we wel wezen: dat was de primaire doelgroep) ervan probeerde te overtuigen dat zij toch echt lekkerder zouden koken, als ze een pakje van Maggi zouden gebruiken. En hele volkstammen die overstag gingen, en hun sausjes niet meer zelf maakten, hun aardappelen niet meer zelf pureerden, en, laten we vooral onze voornaamste bron van MSG niet vergeten: de Aromat! Weliswaar van de concullega, maar dessalniettemin een even wanstaltig produkt.
Maar, laat ik vooral niet de spreekwoordelijke pot zijn, en die huisvrouwen de ketel, want uiteraard koken wij ook met regelmaat van de klok, met pakjes en zakjes van Maggi, Knorr of desnoods van Euroshopper of Markant Merk.
Want het nadeel van ambachtelijk een sausje op tafel zetten is vaak dat het tijd kost. Een jus voor bij de stamppot is geen probleem. Dat is in 2 minuten wel klaar. Maar een mooie vissaus, een ingedikte wijnsaus, een kalfsfond. Dat zijn toch dingen die enorm lekker zijn, maar waar in een doordeweeks gezin, met 2 kleine kinderen, eigenlijk geen tijd voor is. Nog afgezien van het feit dat bij een deel van die dingen minstens de helft van de aanwezigen in dit pand openhartig laten weten dat ze het niet blieven. Meestal vergezeld van de alleszeggende spreuk: "Ik hoef dat niet!". Waarbij ‘dat‘ vervangen kan worden door hetgeen mijn vrouw of ikzelf in de uren daarvoor hebben geprobeerd zo smakelijk mogelijk te krijgen.
Maar ze hebben een excuus.
Ze zijn 2 en 3 jaar oud.
Dan mag dat nog. Ook van ons. Dan mág je iets niet lekker vind, áls je het in elk geval maar even gepróefd hebt. En dat moet ik ze nageven: dat doen ze over het algemeen ook! Eva van 3 at vanavond bijvoorbeeld peultjes. We hadden ze in kleine stukjes gesneden. En ze pakte telkens een stukje, vouwde het open, en vond een snoepje. Dat ’snoepje’ is gewoon een zaadje dat in de peultjes zit, maar dat maakt het wat meer bijzonder. En ze heeft er echt van gesnoept! Leuk om te zien!
Wij proberen zo vaak mogelijk vers eten, soms moeten we daarbij uitwijken naar een pakje, en in het weekend maken we dan tijd voor de slowfood zaken van het leven. Stoofpotjes, op lage temperatuur garen van vlees, barbecuen. Maar door-de-week moet het toch liefst niet teveel tijd kosten, om redelijk gezond en toch lekker te koken, dus tja, wat doe je dan…?
Maar soms ontdekken we ineens dat je voor een snelle oplossing helemaal geen pakje nodig hebt. Sterker: dat het zonder dat pakje nog veel beter smaakt. Gewoon omdat het puurder is. En net zo makkelijk. Met minder toevoegingen. Dus beter? Misschien psychisch, maar ach, who are we to argue ourselves?
Ik had zin in pasta met gehaktballetjes in kaassaus, en dan niet uit een pakje. Met wat hulp van de roux, die ik een tijd geleden ontdekte, was dat eigenlijk een fluitje van een cent. En zo stond op een winderige dinsdagavond die pasta op tafel. Mét ballen. En mét kaassaus. Zónder pakje! En ik heb genóten!
"Een beetje van mezelf, zónder iets van Maggi".
Ingrediënten
Voor de balletjes:
Voor de saus:
Bereiding
Meng het gehakt met de rest van de ingredienten en rol er balletjes ter grootte van walnoten van. De ansjovis filet versterkt de smaak wat, en je proeft er niets van terug in het eindresultaat!
Zet ze even een half uurt je in de koelkast, om wat op te stijven.
Breng in de tussentijd een pan water aan de kook, voor de pasta.
Verhit daarna een beetje olijolie in een pan, en braad de balletjes op een niet te hoog vuur aan.
Maak intussen de kaassaus: neem een steelpannetje, en smelt daarin de boter, en als deze uitgebruist is, doe dan de bloem erbij. Goed roeren, zodat de bloem alle boter opneemt. Even onder roeren een paar minuutjes laten garen. Doe dan de bouillon en melk erbij, en roer alles goed door, zodat alle klontjes weg zijn. Strooi de kaas erdoor (ik gebruikte een mengsel van 50 gram peccorino (italiaanse geitenkaas) en 50 gram parmezaanse kaas) en laat smelten. Breng op smaak met peper en zout, en wat nootmuskaat. Doe de balletjes bij de saus en laat mee warm worden.
Kook de pasta al dente. Snij de lenteui of bosui in ringetjes, en strooi door de saus. Laat 1 a 2 minuutjes meekoken, zodat ze nog knapperig zijn.
Heet serveren!
Ik weet nog ongeveer hoe het ging een hele poos terug: ik zat op kantoor, verwikkeld in een discussie met een collega, over een compleet ander onderwerp. Iets met computers, printers of servers, ongetwijfeld. Of dat een gebruiker van onze software weer eens rare fratsen had uitgehaald. Ik weet het niet meer zeker. Doet er ook niet toe.
Op de één of andere manier ging het daarna over Star Trek, Fight Club, kinderen en uiteindelijk over eten. En zo kwam ook ter sprake dat ik graag Italiaans kook en eet. Pasta bolognese, pizza en lasagne. Dat soort dingen.
En uiteindelijk ging het gesprek over Béchamelsaus. Dat we altijd van die pakjes kochten van de Grand d’Italia. Dat dat best makkelijk was. Wat melk in een pannetje, poeder erbij en klaar.
En toen begon hij dus te lachen, die collega.
Ik snapte eerst niet waarom, en keek hem verbaasd aan.
"Als je nog een keer lasagna wilt maken, dan moet je dat anders doen." zei hij even later. "Dan pak je 50 gram boter, 50 gram bloem en een halve liter melk. Boter smelten, bloem erbij, roeren en even gaar laten worden, dan de melk erbij en goed roeren. Even doorkoken, en klaar. Peper, zout en wat nootmuskaat om het af te maken. Scheelt je weer €1,59. Koffie?"
Zie daar: in een notendop kreeg ik even het recept voor een Béchamelsaus te horen. Ik realiseerde me dat ik nooit de moeite had genomen om eens een recept daarvoor op te zoeken, en dat ik er dan waarschijnlijk al veel eerder achter was gekomen hoe kinderlijk eenvoudig dat eigenlijk is: je begint met een roux, en met melk en wat specerijen ben je al klaar.
Jarenlang dat pakje gekocht.
En inmiddels vraag ik me werkelijk af waarom…
Volgens Harold MacGee werkt een roux als volgt: je smelt vet (boter of zelfs olie) in een pan. Daar gaat de bloem bij, waarna het vet de meelkorrels van een laagje voorziet. Dit heeft als voordeel dat de meelkorrels niet aan elkaar kleven en een klont vormen. Doe je er dan een vloeistof bij (melk of bouillon), en verwarm je dat, dan smelt het vetlaagje weer langzaam en zuigen de meelkorrels zich vol vocht, waarbij sommige korrels knappen, en amylose moleculen vrijgeven. Die binden zich weer met het water, waardoor ze een web vormen dat het overgebleven zetmeel weer beperkt in zijn vrijheid, en daardoor een gebonden saus oplevert.
Deze roux vormt de basis van 3 van de 5 zogenaamde ‘moeder-sauzen’ uit de Franse keuken: de béchamel, de velouté en de espagnole.
De béchamel saus is op basis van een roux met melk.
De velouté saus is op basis van een roux met lichte bouillon.
De espagnole saus is op basis van een roux met een donkere bouillon.
En van daaruit kun je allerlei kanten op. En je kunt het een en ander ook combineren. De béchamelsaus met kaas voor over de lasagne. Half béchamel en half velouté, met champignons, al dan niet met een scheutje room. De velouté met een scheut rode port, bosbessenjam en een theelepel mosterd voor bij wild.
En zelfs de sauzen zelf zijn nog aan variatie onderhevig. Bechamel saus in Nederland wordt vaak gemaakt met nootmuskaat, terwijl er in Frankrijk laurier en een uitje doorheen gaat.
Feit blijft dat sinds dat gesprek met die collega we eigenlijk nooit meer een pakje bechamelsaus hebben gekocht, en dat we ook allerlei ander sauzen gemaakt hebben, op basis van die eenvoudige, maar enorm veelzijdige mix, van boter, bloem en vocht!
Vandaar, een lofzang op de edele roux:
Boter en bloem is bij u de clou
Espagnole, Velouté, Bechamel
Zonder u geen enkel van dit stel
Uniek met vele gezichten
Edoch zelden onderdeel van poetische gedichten
Kies een vocht naar keuze
En ziet, de variatie is reuze
Oh, mooie roux
Waar ik u ook door doe
Het resultaat mag er zijn
Al bent u niet zo goed voor de lijn
Eenvoudig, multi-inzetbaar
Zonder pakje, snel klaar
Bruin of blond
En meestal zonder klont
Oh, mooie roux
Ingredienten voor Bechamel saus
Bereiding
Smelt de boter in een pannetje. Wacht tot het uitgebruist is, en doe de bloem erbij. Goed roeren met een garde. Nu even de roux laten garen. Let erop dat je de roux goed in beweging houd. Als de roux te lang stil ligt, krijgen we een blonde of bruine roux (in plaats van een witte), en krijg je geen goede bechamelsaus.
Na een paar minuten voeg je de melk toe, en begin je goed met roeren. Tijdens het warmer worden van de saus zal deze dikker worden. Hoe meer boter/bloem ten opzichte van de melk, hoe dikker.
Als de saus mooi dik is, breng hem op smaak met peper, zout en nootmuskaat. Indien je dat wilt kun je ook nog wat kaas door de saus smelten, bijvoorbeeld als je de bechamel gebruikt voor over de lasagne.
Een week of 2 terug kwam mijn schoonmoeder bij ons eten. "Niks bijzonders maken, hoor!" had ze nog gezegd. Maar ja, vrouwlief was een middagje met dochterlief naar K3, en met zoonlief op bed, had manlief even de middag voor zichzelf.
En wat doe je dan?
Dan kijk je even in de kelder en in de voorraadkast, en je besluit om een blik tomaten open te trekken, een paar stengels bleekselderij te snijden en een wortel te schrapen.
En voor je het weet heb je een soffrito pruttelend in de pan, die niet veel later wordt vergezeld door wat gehakt, spek en de voornoemde tomaten. En na een uurtje of 3 pruttelen op een laag vuurtje staat er een dikke pan met bolognesesaus, in de beste Italiaanse traditie. Pannetje pasta erbij en klaar is Kees Mark.
Maar ja, dat pruttelen is op zich ook niet zo’n spannend gebeuren. Beetje roeren in de pan af en toe, en je hebt het wel gehad. Tijd heelt niet alleen alle wonden, maar laat ook een pastasaus zijn smaak krijgen.
"Een lekker stukje brood erbij, dat is misschien wel een leuk idee. Een knoflook brood, of wacht, een ciabatta. Daar kan ik wel eens een poging aan wagen." Dat was ongeveer de redenatie, en het resultaat was dat ik uiteindelijk 2 ciabatta’s maakte, die qua smaak behoorlijk buitenlands proefden. Smeuig, zachte kruim, met een vleug olijfolie. Perfect geschikt natuurlijk om dat laatste restje saus van je bord te schrapen. Of om gewoon direct in de pan met saus te dopen. Waarom al die moeite doen om de saus eerst op je bord te leggen, immers.
Er zijn 2 factoren van belang bij het maken van deeg voor ciabatta: het voordeeg (de ‘biga’) en olijfolie door het deeg. De biga is niet meer dan bloem, water en een kwart theelepel droge gist, maar doordat het een nacht op het aanrect blijft staan, fermenteert het, en krijgt het een boel smaak. De olijfolie zorgt ervoor dat het een soepel deeg, met een niet te harde korst wordt.
Het grootste nadeel van dit recept is dat je een dag van tevoren al moet weten dat je ciabatta wilt, en dan ook nog eens niet van huis kunt, want je deeg moet gekneed, rijzen, gevormd, rijzen en afgebakken worden. Even naar de Aldi rijden is dus misschien wel makkelijker. Ook goedkoper, overigens, want voor 39 cent per ciabatta kan deze thuisbakker dat niet namaken!
Maar deze manier is in elk geval wel een stuk leuker dan het simpel openknippen van de plastic verpakking, en het laten ontsnappen van de ‘beschermende atmosfeer’…. En lekker brood, vers uit eigen oven, is eigenlijk onovertroffen…
Ingrediënten
De biga
Het brood
Bereiding
Meng de gist en bloem in een kom. Voeg het water erbij en meng en kneed dit een minuut of 5. Dek de kom af met huishoudfolie en laat gedurende een uur of 12 tot maximaal 24 op het aanrecht staan. Het voordeeg krijgt nu de kans om smaak te ontwikkelen. Het zal (ondanks de kleine hoeveelheid gist) verhoudingsgewijs enorm groeien, doordat de gist bij kamertemperatuur actief wordt. Zorg dus voor een niet te klein bakje! Na een uur of 12 is het plakkerig en vol luchtebelletjes. Als je het er uithaalt is het ook erg draderig, en ruikt het friszuur. Dit is de basis van he tbrood.
Doe alle overige ingrediënten, samen met het voordeeg dat minimaal 12 uur heeft gestaan, in een kom en meng/kneed dit tot een mooi glad, soepel deeg. Het makkelijkst is dit natuurlijk in keuken apparaat met deeghaken, maar met de hand kan ook prima. Goed kneden, en daarna in een grote kom, die je met wat olie aan de binnenkant invet. Husihoudfolie erover, en laten rijzen tot het volume verdubbeld is. Duurt normaal ongeveer 1 tot 1,5 uur. Het deeg is nu erg plakkerig en zacht.
Bekleed een bakplaat met bakpapier, en bestuif dit met bloem. Houd dit bij de hand. Bestuif je werkblad ook met bloem, en haal het deeg uit de kom. Het makkelijkst gaat dit met een deegspatel, maar anders gewoon met je handen. Je hoeft nu niet meer te kneden. Deel het deeg in 2 helften, en vorm beide helften tot lanwerpige platte plakken, van ongeveer 1-2 centimeter dik. Leg de lappen deeg op de bakplaat met bakpapier. Maak wat deuken in de bovenkant met je vingers, en bestrooi licht met wat bloem. Bedenk het geheel met een vochtige keuken doek, of schuif in een grote plastic zak. Het deeg moet nu weer rijzen, en moet niet uitdrogen. Vandaar… Laat ongeveer 1,5 tot 2 uur rijzen.
Onegeveer een half uur voor het klaar is, verwarm je de oven voor op 220 gradem. Schuif dan de bakplaat in de oven, en bak de broden af in ongeveer 20 minuten. Of het gaar is, kun je horen, door op de onderkant te kloppen. Als het hol klinkt is het gaar.
Even laten afkoelen, en serveren maar!
Ik had het beloofd in een van de commentaren. En als je iets beloofd, moet je het ook doen. Dat is althans wat mijn ouders mij hebben geleerd. En aangezien ik toch al een tijd niets meer geschreven heb, is dit een goed moment om die belofte eens in te lossen, zodat dat kleine stemmetje in mijn achterhoord ook kan stoppen met zeuren.
Daarom vandaag een stukje over verse pasta.
Pasta al forno.
Lasagne we can believe in.
Of zo.
Oh nee, dat laatste grapje is onlangs al een keer gemaakt, dus schrap die maar.
Lasagna di pasta fresca dan maar. Klinkt Italiaans en moeilijk, maar is in feite heel makkelijk: lasagna van verse pasta.
Nu zijn er voor pasta net zoveel recepten als dorpjes in Italie. Misschien wel net zoveel als er mama’s in die dorpjes in Italie zijn. Maar de basis, daarover is iedereen het wel eens: pasta maak je van harde tarwe, met per 100 gram bloem 1 ei. Niet meer, niet minder. Hoe makkelijk kan iets zijn? Nou, laat die mama’s er maar op los! Dan komen er ineens allerlei andere ingredienten bij, die het allemaal weer net even anders maken!
Harde tarwebloem, zachte tarwebloem, ei, ei-dooiers, zout, olijfolie, water, tomatenpuree, inktvisseninkt, spinazie, basilicum, kruiden, en wie weet wat je er nog meer door kunt kneden. En allemaal om die ene, voor de kok perfecte, pasta te maken.
Keuzes, keuzes, keuzes. Die het allemaal weer net dat beetje moeilijker maken, en de aandacht afleiden van de essentie: zelf pasta maken is niet moeilijk, maar leuk, en minstens zo lekker als de gedroogde pasta in de winkel. In elk geval stukken lekkerder dan die meuk die Honig macaroni durft te noemen.
Als basis voor een lekkere pasta hebben we uiteraard bloem nodig. Meer specifiek: bloem van harde tarwe. Te koop onder diverse namen zaols ‘farine de blé dur’, ’semola rimacinata’, ‘farina di grana duro’. Varianten voor: griesmeel van harde tarwe. Diverse merken bieden het aan, zoals De Cecco (bij de Jumbo), Soubry (bij de groothandel) of in zakken van onbekende merken bij mediterane winkels.
Als je maar een enkele keer zelf je pasta maakt, is de De Cecco prima. In een zak van 1 kilo (maak je een keer of 3 pasta mee), voor rond de €2.-. Ik heb zelf altijd een zak van 5 kilo, gekocht bij Le Souk, in Groningen. Kost verhoudingsgewijs minder (€7,50), maar is ook meteen een grotere voorraad. Gelukkig is het lang houdbaar!
Neem 100 gram bloem per persoon als uitgangspunt. Voor grote eters neem je 150 gram. Per 100 gram bloem heb je 1 ei nodig. Dus voor 400 gram bloem, 4 eieren. Voeg daar 5 gram zout aan toe en een scheutje olijfolie, om het deeg soepel te houden. Kneed hiervan een deeg, vorm er een bal van, verpak het in huishoudfolie, en laat het minimaal een half uur rusten in de koelkast. Op die manier kan het vocht van het ei goed in het deeg trekken. Het lijkt misschien alsof we weinig vocht toevoegen, en dat is ook zo. Maar in het geval van verse pasta is teveel vocht juist erg lastig, want dat maakt het deeg alleen maar plakkerig.
Na even te hebben gelegen, verdeel je het deeg in handzame porties. Zonder pastamachine maak je er met de deegroller platte schijven van, op een goed ingebloemd werkblad. Uiteindelijk wil je je deeg lekker dun hebben. 1 of 2 mm denk ik dan aan. Dat gaat met een pastamachine toch een stuk makkelijker, en ach, als je ziet dat die al voor €14,95 nieuw te koop zijn, dan is dat ook wel een bedrag om overheen te komen, nietwaar?
Draai het deeg een paar keer op stand 1 door de pastamachine. Hierbij vouw je het deeg iedere keer dubbel in de lengte, voor je het erdoor heen draait. Doe dit een keer of 5 - 6, tot je een mooie, gladde lap hebt. Dan vouw je hem niet meer dubbel, maar zet je de pastamachine op 2 en draait hem er 1 keer doorheen. Dan op standje 3, dan 4 en eindig voor lasagne op 5. Bestuif het deeg ondertussen regelmatig met bloem, om te voorkomen dat het plakkerig wordt. Voor tagliatella of spaghetti zou je nog door kunnen gaan tot 6 of 7 afhankelijk van je voorkeur. De pasta zwelt overigens nog wel op in de pan, dus hou daar dan rekening mee.
Voor lasagna snij je er nu mooie rechthoekige lappen van, zodat ze mooi in je ovenschaal passen. Spaghetti en tagliatella bestuif je met bloem, en laat je eventueel nog even drogen. Ik gebruik hiervoor een bezemsteel die ik ophang, maar er zijn ook speciale pasta droogrekjes te koop.
Wil je rood deeg? Laat 1 ei weg, en gebruik een half blikje tomatenpuree. Voor groene pasta 1 handje goed uitgeknepen/uitgelekte diepvriesspinazie. Zwarte pasta maak je met inktvisseninkt, maar ik heb geen idee waar je dat kunt kopen…
En dan? Dan kun je alle kanten op met je eigen, verse pasta. Maak er lasagne mee, of ravioli, of tagliatella met beukennootjes. Het wordt immers alweer een beetje herfstig!
Ik was er niet eens naar op zoek. Struikelde er over. Las het een keer door, en dacht "Hé, da’s leuk voor een druilerige zondagmiddag!"
En wat wil het toeval: gisteren wás zo’n druilerige zondagmiddag.
Achter het huis stonden stonden nog wat pallets op me te wachten, die ik had gekregen van onze huisschilder, klaar om verwerkt te worden tot haardhout. Ze stonden er al een tijdje, en ik besloot dat het nu toch echt tijd was om ze uit elkaar te halen, en te verzagen. Het is nu nog niet echt koud, maar dat wordt het ongetwijfeld wel weer, en dan zitten we er toch graag warmpjes bij.
De middag begon aardig. Af en toe wat zon, maar meer wolken dan blauwe luchten. Affijn, 4 pallets verwerkt, en er stond nog een oude blankhouten kast op me te wachten. Nadat ik het Ikea-geval uit elkaar had gehaald, en halverwege was met het zagen tot handzame delen, besloot men boven mij de hemelsluizen te openen.
Binnen no-time was mijn rug nat, en dit keer niet van het zweet, maar van de vele druppels die met behulp van de zwaartekracht hun weg naar beneden hadden gevonden. Normaal niet zo’n punt; regenjas aan, en ik klus nog wel even verder.
Maar nu stond ik met een electrische cirkelzaag in handen, en … ach, ik hoef denk ik niet uit te leggen dat 220 volt en water geen goede combinatie maken.
Dus, spullenboel maar opgeruimd en naar binnen.
Jongste spruit ligt op bed. Oudste ligt op de bank, voor de tv, en ‘de vrouw’ zat even achter de pc. Mooi moment om dat recept eens uit te proberen.
Ik had me namelijk voorgenomen om eens een broodje bapao te maken. Voor die enkeling die het niet kent: een gestoomd, wit broodje, met een vulling van (meestal) gekruid varkensvlees. Te koop bij de vietnamese loempia-bakkers, en in het vriesvak van menig supermarkt. Die eerste zie ik niet zo vaak, en die tweede neem ik wel eens mee naar huis.
Lekker als hartig tussendoortje.
Grote vraag blijft alleen: die vulling. Wat zit daarin? De diepvriesbroodjes hebben vaak een donkere, ondefinieerbare massa van binnen, waar vlees en uitjes nog wel te proeven, maar niet te herkennen zijn. Maar goed, kniesoor die dat gaat zitten analyseren.
Bij zelfgemaakte weet je in elk geval wél wat er in gaat, al blijft ook hier het gehakt een wat onzekere factor: het vlees is immers al voor je gemalen. Maar zolang ik nog geen eigen gehaktmolen heb, zal ik het ermee moeten doen.
Voor de gelegenheid Chinees 5 kruiden poeder gekocht, en zwarte sojasaus had ik
nog staan. Kikkoman. Uit Oost-Groningen! Ach, dat is ook een beetje oosters, toch?
Om te stomen gebruikte ik onze pastapan met inzet. Onderop een bodem (halve liter) water, aan de kook brengen, en inzet erin. Op de bodem van de inzet weer een cirkel van bakpapier. Wel af en toe controleren of het niet droogkookt, maar een halve liter water bleek met de deksel op de pan, genoeg voor minstens 20 minuten stoom, en zolang moeten de broodjes ook. Prima oplossing dus.
En de smaak? Net echt! Het broodje is wat steviger dan die uit de diepvries, maar dat zal liggen aan de hoeveelheid bakpoeder. Dat zullen we in een komende periode nog eens verder testen. Geen reden om het recept niet te posten in elk geval.
Ik gebruikte overigens bakpoeder, omdat dat ervoor zorgt dat het deeg rijst, als de temperatuur stijgt. Aangezien ik 12 broodjes maakte, en er slechts 4 tegelij in de pan konden, zouden ongebakken broodjes met gewone gist misschien te ver doorrijzen.
Ingredienten
Bereiding
Verhit wat olie in een pan, en fruit hierin het uitje glazig. Snipper de knoflook fijn, en bak even mee. Voeg dan het vlees toe. Bak het vlees rul, en als het bijna gaar is, doe er een scheut sojasaus bij, dan wat 5 kruidenpoeder, het halve bouillonblokje, beetje sambal en wat versgemalen zwarte peper. Proef, en als de smaak goed is, kun je eventueel nog een eetlepel sesamolie door doen.
Laat dit afkoelen.
Meng het water, de eiwitten en de suiker, en zorg dat de suiker goed opgelost is. Meng de bloem met het bakpoeder. Voeg het water/ei mengsel toe, en kneed het geheel tot een soepel deeg. Verdeel dit in porties van ca. 75 gram.
Rol met een deegroller elke portie uit tot een ronde, platte schijf van een centimeter of 10 in doorsnee. Leg 1-2 eetlepels vulling erop, en vouw dicht. De vouw komt aan de onderkant.
Stoom de broodjes met behulp van een stoompan, of pastapan met inzet, in 20 minuten gaar.
Lekker met chilisaus!
Of doe ze individeel in een diepvrieszakje, en vries in. Dan zijn ze met de magnetron in een paar minten eetklaar!
Ik kom jammer genoeg niet zo vaak op de markt. Ik vind het namelijk altijd erg leuk om te kijken wat er allemaal aan etenswaar ligt, die je in de supermarkt niet zo snel ziet. Op de markt heb je immers nog echte groentehandelaren. En kan een startend ondernemer makkelijk de eerste schreden op zijn commerciele pad zetten.
Afgelopen zaterdag wél tijd gehad. En even gestruind, met vrouw en kinderen, over de markt in Assen. Geen wereldstad, geef ik toe, en ook geen exotische markt. Maar toch leuke dingen gezien, ideëen opgedaan, en thuis gekomen met leuke spulletjes.
Zo kocht mijn vrouw bij een indonesische kraam verse gember, en kregen we en passant van een van de klanten adviezen over hoe om te gaan met gember, en wat er nog meer allemaal voor lekkers lag. Chinese aardappeltjes, okra, bakbananen, en nog een scala aan dozen en bakken, met dingen die er in eerste instantie wat buitenaards uitzien, maar ongetwijfeld heerlijk zijn om te eten (mits op de juiste manier klaargemaakt, uiteraard).
Bij de groenteboer kozen we trostomaten (waren in de aanbieding, we blijven Hollanders…). Een spitskool (lekker roerbakken, met wat spekjes en kerrie!) ging mee. En 2 koolrabi’s.
"Knolraap?" vroeg mijn vrouw?
"Koolrabi!"
Ik zag haar een beetje vreemd kijken. Ze had er nog nooit van gehoord, laat staan gegeten.
Mijn moeder maakte dit toen ik nog een klein menneke was wel vaker. Maïzena sausje erbij, met aardappels, en braadworst. Niks bijzonders dus. Maar ik denk dat het al zeker een jaar of 20 geleden was, dat ik het voor het laatst had gegeten. De smaak zat nog ergens ver weg verstopt in mijn geheugen, en overtuigde mij ervan dat ik het lekker vond.
Uit nostalgische overweging dus 2 knollen meegenomen. Thuis even gespiekt op internet, voor de bereidingswijze. Schillen, snijden, koken. Sausje erover. Klaar. Rauw in een salade had ook gekund. Maar we kozen voor de gekookte variant. Met een mosterdroomsaus.
Na de eerste hap verdrongen de herinneringen zich, om als eerste naar boven gehaald te worden. Beelden van mijn ouderlijk huis, met zijn allen aan tafel. Beetje onderling plaagstootjes uitdelen. Zien wie het meest ad rem een antwoord klaar heeft. Hongerige magen. Hete pannen. Een schaal met koolrabi. Een grote braadworst van ruim een kilo, die amper genoeg was voor ons 5-en. Klinkt als heel veel, maar als je 16 bent, en dagelijks een kilometer of 20 op de fiets zit, en druk bezig bent met opgroeien, dan is een stukkie worst van 250 gram niet zó veel.
Vroeger. Ineens voel ik me oud… 
De smaak was in elk geval precies zoals ik dat op de markt ook al in gedachten proefde: zacht, fris, en een beetje een kruising tussen bloemkool en radijs. Lijkt een vreemde combinatie, maar dat is het niet.
De mosterdsaus was in eerste instantie wat te sterk van mosterdsmaak, en nogal overheersend, ten opzichte van de kool rabi, maar met een scheutje extra melk was dat ook opgelost, zodat de smaak van de kool rabi niet naar de achtergrond gedrukt wordt.
Van vergeten groente, naar herinnerde groente, dan maar?
Ingrediënten
1/2e kool rabi per persoon
25 gram boter
25 gram bloem
250 gram melk
100 gram room
1 eetlepel grove mosterd
peper & zout
Bereiding
Schil de koolrabi, en snij het groene deel weg. Snijd de knollen in plakken, en vervolgens in blokjes, ongeveer ter grootte van een dobbelsteen.
Kooktijd is ongeveer 10 minuten, met wat zout.
Maak van bloem en boter een roux, en voeg de melk toe. Goed roeren tot de klontjes weg zijn. Aan de kook brengen en dik laten worden. Room naar smaak toevoegen, evenals de mosterd. Afmaken met peper en zout.
Lekker met een braadworstje en gekookte aardappelen. Wij aten er Santa Fé aardappelen bij, van de boerderij in Veenhuizen. Onbespoten, en zonder kunstmest geteeld. Erg lekker!