Een man verrast zijn geliefde graag af en toe. Een kus hier. Aan aanraking daar. En natuurlijk een ontbijtje op bed, op zondagmorgen.
Mét eitje, bloemetje én croissantje.
En dan kun je natuurlijk een pak fabrieksrolletjes van de Euroshopper opentrekken. Of misschien ben je wel heel avontuurlijk, en waag je het een rol van die Franse koekenbakker Danone open te laten ploffen.
Maar de échte man laat zien uit welke klei deeg hij werkelijk is geboetseerd!
Die pakt de bloem en de roomboter en gaat er voor. Die maakt ze gewoon zelf!
En diezelfde man komt er dan meteen achter dat dat eigenlijk best meevalt. Na alle horrorverhalen over hoe verschrikkelijk moeilijk, tijdrovend en voor de particulier ondoenlijk het wel niet zou zijn, besloot ik een tijdje terug dat ik nu toch echt een keertje wilde weten wat er nu allemaal waar van is.
Dus pakte ik de bloem en de roomboter, en ging ik ervoor.
En wat blijkt?
Het is prima te doen thuis. Goed, het kost meer tijd en moeite dan kant&klaar, maar geef toe: zelfgemaakt ontstijgt toch elk fabrieksproduct, alleen al vanwege die exacte eigenschap van het zelfgemaakte. En een ander voordeel: je weet exact wat erin gaat, en ook vooral welke chemische hulpmiddeltjes je allemaal achterwege hebt kunnen laten. Geen emulgatoren, stabilisatoren, kleurstoffen of vetjes-met-botersmaak.
Gewoon puur bloem, gist, water en boter. Oh ja, en wat suiker naturlijk. En een eitje om te bestrijken. En je vooral niet laten afschrikken, doordat een recept het heeft over een ‘getoerd deeg’. Want dat wil niet veel meer zeggen dan ‘gedraaid’. Een kwartslag in dit geval, om precies te zijn.
Het belangrijkste dat je moet onthouden, is dat je gebruik maakt van koude boter. Snij die in dunne plakjes, en rol uit tussen 2 vellen vetvrij bakpapier. Het allerbelangrijkste bij croissants maken, is ervoor te zorgen dat de boter een laagje blijft vormen, en niet ín het deeg gaat zitten. Het verdampen van het vocht in de boter moet er namelijk voor zorgen dat de mooie laagjes ontstaan. En dat lukt alleen als het nog echt een laagje is.
Maak het deeg gerust de dag ervoren, en bewaar het als een rol in de koelkast. Ingepakt in huishoudfolie blijft het prima, en door de koude van de koelkast stopt het gist-proces. En op zondag ochtend maak je er de croissantjes van. Even op kamertemperatuur laten komen, en afbakken maar!
En bij het opdienen van het ontbijt niet vergeten nog even snel wat bloem over je pyama te strooien, om dat beeld van de noeste arbeider hoog te houden.
Anders denkt ze alsnog dat je een pakje hebt opengeknipt!
Ingrediënten
7 gr gedroogde gist
Bereiding:
Los 5 gram suiker in wat warme melk en strooi de gedroogde gist erin. Laat dit 10 minuten werken.
Meng de rest van de melk met de gesmolten boter, de resterende gram suiker en het zout. Meng dit door de bloem, samen met het melk/gist-mengsel.Kneed tot een soepel deeg, en laat 1 uur rijzen.
Bestrooi het werkblad met bloem en rol het deeg uit tot een rechthoekige lap die 3 keer zo lang is als breed, enkele millimeters dik. Snij de roomboter in zeer dunne plakjes en verdeel het deeg mentaal in 3 delen, en verdeel de boter over 2 van de 3 delen van het het deeg, bijvoorbeeld het middelste en het rechter deel.
Vouw het deeg nu in drie keer op: eerst het lege (linker) deel over het middelste deel met boter, en dan het rechter deel hier weer overheen.
Laat het deeg nu minstens 30 minuten afgedekt in de koelkast opstijven.
Rol het nu weer uit tot 3 keer zo lang als breed en vouw het net als hierboven en laat het weer opstijven. Herhaal het uitrollen en opstijven nog 1 keer.
Verwarm de oven voor op 225°C (heteluchtoven 210°C).
Rol het deeg uit tot een rechthoek van 25×50 cm. en snij driehoekjes. Maak een sneetje van 2 cm. in de korte (achter-)kant Rol de deegstukjes op vanuit het dit gedeelte en buig ze in de vorm van een croissant. Leg ze op een licht ingevet bakblik.
Laat ze nog eens 20-30 minuten narijzen. Bestrijk ze met losgeklopt ei en bak ze 10-15 minuten goudbruin.
|
Jan
24
|
Wat doe je, papa?
Ik ben pastasaus aan het maken, schat.
Waarom?
Omdat we straks pasta gaan eten.
Waarom gaan we straks pasta eten?
Omdat dat lekker is. Jij vindt dat toch ook lekker?
Ja?
Ja. En daarom bak ik nu het vlees, doe er de tomaatjes bij, en dan moet het even koken.
Waarom?
…
Enfin, het moge duidelijk zijn: onze a.s. kleuter zit in de waarom-fase. Een periode waarin als een soort reflex een vraag wordt gesteld, die steevast begint met het "W"-woord. Het antwoord dat we dan geven is feitelijk niet eens zo verschrikkelijk belangrijk, al proberen we wel over het algemeen een serieuze reactie te geven. Maar voor Eva van bijna 4 is het al voldoende om de vraag gesteld te hebben.
Gelukkig, want soms heb ik ook geen antwoord.
Waarom maak je canneloni en geen lasagna?
Daar zou ik dus bijvoorbeeld geen kant en klaar antwoord op hebben kunnen geven. Want er ís eigenlijk ook geen rationele reden om canneloni te maken.
En toch. En toch. En tóch sta ik weer in de keuken te roeren in de saus, en liggen de pijpjes klaar. Want het heeft wél wat: die gevulde pastapijpjes, met een wat dikkere variant van de bolognese-saus. Het is alleen een klus om die pijpjes stuk voor stuk te vullen, alvorens ze in de saus mogen liggen.
Ik heb een spuitzak geprobeerd. Geen succes. je hebt eigenlijk 3 handen nodig dan namelijk: 2 om de zak te hanteren, en 1 om het pijpje vast te houden. Gieten wil niet. Dus maar gewoon heel simpel een klein lepeltje gepakt, en niet bang zijn om je handen ibn de saus te steken. Vandaar dat het handig is om de vulling even af te laten koelen.
Maar goed, áls de pijpjes dan gevuld zijn, en áls de oven het dan lekker gegaard heeft, en áls het dan op tafel staat, dan, ja, dán weet je weer waarom je al die moeite nam. Want hoe het kant weet ik niet, maar het is toch weer anders dan andere ovenpasta. Of misschien is dat wel auto-suggestie, maar hoe dan ook was het lekker.
En Eva? Tijdens het eten vroeg ze niet één keer waarom?, dus het móet wel lekker zijn geweest!
Overigens: in volledige tegenstelling op de gebruikelijke Italiaanse verhouding van pasta (veel) tot saus (weinig), bestaat dit eigenlijk voor het grootste deel uit saus, en slechts ten dele uit pasta. Wellicht dat dit voor sommigen juist goed nieuws is, wanneer je op de koolhydraten moet letten..
De meeste recepten zeggen overigens dat je de canneloni-pijpjes moet voorkoken, maar mijn ervaring is dat ze dan veel te zacht worden. Gewoon zo uit de verpakking nemen, vullen met een klein theelepeltje en je vingers, en in de saus leggen. 25 minuten in de oven is prima; ze zijn dan mooi gaar, maar hebben nog wat bite.
Ingredienten
Bereiding
Doe wat olie in een braadpan, en fruit hierin de spekjes, 1 ui en 2 teentjes geperste knoflook. Voeg het gehakt toe, en bak dit bruin en rul. Doe 1 eetlepel tomatenpuree erbij, roer er 50 gram van de parmezaanse kaas, samen met de basilicum en oregano door. Laat dit 15 minuten zachtjes koken. Voeg de spinazie, de walnoten, het ei, de crème frâiche en zout&peper, naar smaak, toe. Laat dit nog een half uurtje zachtjes koken. Zet apart, om even af te laten koelen. Vul dan de canelloni-pijpjes met de vulling.
Verhit wat olie een een andere pan, en fruit hierin de andere ui, en het overgebleven teentje geperste knoflook. Doe dan de gehakte tomaten uit blik erbij, samen met 2 eetlepels tomatenpuree en wat zout en peper. Breng aan de kook, en laat in 15-20 minuten wat inkoken.
Maak van de melk, boter en bloem een bechamelsaus. Breng deze op smaak met peper, zout en nootmuskaat, en roer er de resterende parmezaanse kaas door.
Verdeel de tomatensaus op de bodem van een grote, platte ovenschaal. Verdeel de canelloni-pijpjes over de saus, zodat er een mooie laag ligt. Verdeel vervolgens de bechamelsaus erover.
Het geheel in de oven afbakken, op 180 graden, gedurende een half uurtje.
Het recept kan overigens ook heel eenvoudig voor een lasagne, als je geen tijd of zin hebt, om de pijpjes te vullen.
|
Jan
15
|
Als 2e gerecht in de serie "Mijn naam is haas" vandaag een hazenragout in bladerdeeg. Lekker als tussendoortje of lunchhapje of zo. Met een bramencompote erbij, voor de zoete noot. Past mooi bij de krachtige smaak van het wild.
Het was zondag-ochtend. We mochten van de kinderen lekker uitslapen, tot half negen, en ik was net bezig de goegemeente van thee en koffie te voorzien. Vrouw en kinderen zijn echte theeleuten; ik mag het doen met een kopje Senseo. Niet geweldig, en koffietechnisch ook niet verantwoord, maar ja, ik drink thuis hooguit een paar kopjes per dag, en leef door de weeks ook al op automaten-koffie, dus binnen dat referentiekader ("Is het warm? Is het bruin? Zit er caffeine in?") heb ik mezelf nog niet overtuigd van de noodzaak tot aanschaf van een espresso-apparaat of iets dergelijks.
Tijdens het zetten van de thee bedacht ik me dat ik voor die middag niet zoveel plannen had. Er moesten weliswaar een paar kleine klusjes rond het huis worden geklaard, maar dat zou geen uren kosten. Dus was er best wat tijd om nog even aan te hobby-en. En als ik niet te laat zou starten, meteen ook voor de lunch te zorgen!
Ik pakte een hazenpoot uit de diepvries, en liet die ontdooien. Met een scherp mes het vlees eraf snijden, en daarna in een pannetje, even aanbruinen. Bouillon erbij, kruiderij en bier, en stoven maar.
En, heel vervelend, er stond toen een geopend flesje Hertog Jan Grand Prestige op het aanrecht. Nog bijna vol. Beetje zonde om dat weg te gooien, en als ik zou laten staan, zou het verschralen, en kan het dus ook door het zilveren oog van de spoelbak.
Ik offerde mezelf op, en pakte een glas uit de kast en schonk het bier erin. Met een licht schuld gevoel (het was 12:30…) nam ik een slok, en besefte me ineens dat het in landen als Frankrijk en Italie vaak als normaal wordt beschouwd om tijdens de lunch een glas wijn te drinken. En Grand Prestige is eigenlijk ook een gerstewijn, en geen bier. Iets minder schuldig door deze realisatie (of kwam het door het het bier? Wie weet..) nam ik nog een slok. Lekker! Hips!
Het eindresultaat was gelukkig niet beïnvloed, door voornoemde inname, en smaakte prima! Het was alleen niet op tijd voor de lunch klaar, dus werd het spontaan omgetoverd tot middaghapje.
Je hebt maar weinig haas nodig, om het te maken. Ik gebruikte 1 achterpoot, en maakte er 3 envelopjes mee. Met 2 poten maak je dus een stuk of 6. Valt goed mee dus.
Ingredienten
Bereiding
Snij het vlees in blokjes. Smelt boter en wat olie in een steel- of braadpannetje. Bruin de blokjes even, en voeg de gesnipperde sjalotjes toe. Draai het vuur zacht, en voeg de bouillon, de jeneverbessen en wat tijm toe. Laat nu 1,5 tot 2 uur zachtjes stoven.
Voeg, 20 tot 30 minuten voor het einde, het bier toe, samen met de verkruimelde kruidkoek. Laat nog even verder stoven, en breng op smaak met peper en zout. Laat indikken, tot een wat stroperige massa.
Verwarm de oven voor op 180 graden. Neem een ontdooid plakje bladerdeeg, en doe er wat ragout op. Smeer de randen in met wat ei, en vouw het dicht tot een driehoekje. Prik met een vork wat gaatjes in de bovenkant, en bestrijk de bovenkant met ei. Leg de envelopjes op een ovenplaat en bak ze tot ze goudbruin zijn (ca. 20 minuten).
In de tussen tijd: doe het water, samen met de suiker en de bramen in een klein panetje. Breng aan de kook, maak de vruchten kapot, en laat indikken tot een stroperige massa. Het wordt nog wat dikker als het afkoelt, dus hou daar rekening mee. Giet het over in een glas of bakje, en laat afkoelen.
Leg de bladerdeegenvelopjes op een bord, samen met wat van de vruchtensaus. Lekker als voorafje of tussendoor!
Het is officieel: ik ben gepubliceerd auteur!
Jawel! Ik ben ontdekt!
Nou ja, een beetje ontdekt dan. Maar ik ben niettemin toch erg trots en blij om te kunnen vertellen dat een stuk dat ik geschreven heb, is afgedrukt.
Op papier!
In een écht blad!
In De Hoeksche Waard Groen. Het verenigingsmagazine, van de jagers op de eilanden IJsselmonde en Hoeksche Waard, onder de rook van Rotterdam.
Naar aanleiding van het stuk dat ik geschreven had over de 2 hazen van mijn buur-jager-man, ontving ik in november een e-mail van Dirk-Jan. Hij had via foodrank.eu (is mijn aanmelding daar toch nog érgens voor goed geweest, want qua ranking schiet dat niet echt op, met een 43e plek, op moment van schrijven …) mijn blog gevonden, en gelezen over de hazen. Toevaligerwijs is Dirk Jan de eind-redacteur van het blad op de foto hiernaast/boven.
Dirk Jan vroeg me in een email of hij het stuk over de hazen kon opnemen in het winternummer. In ruil voor wat gerookte gans bijvoorbeeld.
Maar natuurlijk! Wat leuk!
Iemand die mijn schrijfsels leuk vind, en zelfs goed genoeg om ze over te nemen, dat had ik niet gedacht, toen ik anderhalf jaar geleden met het blog begon. Een compliment dus, en daar word ik altijd erg blij van.
Maar om nu gerookte gans met de post te versturen leek me niet heel handig. Ik woon immers in Drenthe, en kom zelden tot nooit in Zuid-Holland. Dat aanbod sloeg ik derhalve met wat spijt af. Maar in ruil voor enkele exemplaren van het blad, en vermelding van de url van het blog, verleende ik met alle plezier toestemming. En wachtte met spanning af.
Tussen kerst en oud&nieuw plofte de enveloppe op de mat. 2 maal een exemplaar van de Hoeksche Waard Groen. En verdraaid, het stond er echt. Groen op wit. Mét foto’s!
Dus vanaf heden ben ik officieel gepubliceerd auteur!
Het is trouwens een vreemde gewaarwording om iets dat je zelf hebt geschreven ineens in een blad te zien staan. Op de één of andere manier voelt dat dan toch echter, dan wanneer ik een stukje op het blog plaats. Ik denk dat dat komt omdat het dan ineens onderdeel wordt van een groter geheel, waar ook andere mensen aan gewerkt hebben. Een mix van erkenning, saamhorigheid, en voldoening, zeg maar.
Ja, ik ben wel blij, ja!
Trouwe lezers (Heb ik die? Ik heb bezoekers, maar of deze personen slechts over mijn blog struikelen of hier bewust komen, is mij niet bekend… Maar leuk dat ik bezoekers heb! Zoveel is in elk geval zeker!) weten het vast nog wel. Ik kreeg een tijd terug 2 hazen van mijn buur-jager-man. Ik beloofde toen ook hier enkele variaties mee te maken. Een kwart van die belofte los ik nu in, want afgelopen zondag aten wij een traditionele hazenpeper.
Aangezien mijn vrouw er wat terughoudend tegenover stond, stond ze niet echt te juichen. Maar goed, als goed opvoeder moet je natuurlijk zelf ook doen wat je "preekt". Ofwel: je mág het niet lekker vinden, maar je móet het op zijn minst even geproefd hebben.
En zo komt het dat mijn vrouw haar bord vulde met een tweetal flinke scheppen aardappelpuree, wat doperwten, en een kleine schep van de peper. Ik ken haar inmiddels lang genoeg (ruim 16 jaar alweer!) om ongeveer te weten wat er in haar hoofd omgaat, en wist dat ze er toch een beetje tegenaan zag.
"Het is maar vlees… En ik eet ook kip en varken… Maar ik kan dat beeld van die 2 hazen in die plastic zak niet uit mijn gedachten krijgen…" zei ze toen.
Ik kon haar ook geen ongelijk geven. Het is niet zo dat we even naar de super zijn geweest om een paar stukjes vlees te kopen. De disassociatie die je normaal hebt, en waarbij je het filetje niet meer aan zijn voormalige bezitter koppelt, is nu niet aanwezig, aangezien het beeld van twee hazen op het aanrecht nog vers op het netvlies ligt.
Maar evenzogoed: met hetzelfde gemak schuiven we een hele kip in de oven. En die eten we gewoon op.
"De saus is in elk geval erg lekker!" vervolgde ze.
Het vlees ook, vond ik. Maar toegegeven: je moet ervan houden, van wild. Een beetje de smaak van lever is denk ik een omschrijving die wel aardig in de buurt komt. Lever, met de textuur van een biefstuk. Persoonlijk vind ik het erg lekker, en ook leuk om te maken. Mijn vrouw was iets minder enthousiast, maar dan niet vanwege de smaak, maar vanwege het idee. Of de hazenpeper in de herhaling gaat, is dus nog maar de vraag. Maar de andere variaties komen in elk geval nog.
Ik heb ook nog geprobeerd te achterhalen waarom het eigenlijk een hazenpeper heet. Maar dat is me niet helemaal duidelijk geworden. De meest plausibele verklaring die ik heb gevonden, is dat het afkomstig is van het Franse begrip voor een basis wild-saus: "poivrade". De link naar ‘poivre’ en dus peper is dan snel gelegd.
Maar wie een betere verklaring heeft: ik hoor het graag!
Ingredienten
Bereiding
Bestrooi het vlees met zout en peper. Smelt de boter in een braadpan, en bak de bouten rondom lichtbruin. Bestuif met de bloem. Voeg nu het spek en de tomatenpuree toe, en bak het even op. Giet dan de wijn erbij. Als dat kookt, kan de ui, de wortel en het laurierblaadje met de kruidnagel erbij. Makkelijk is het om even met een scherp mesje een gaatje te prikken in het laurierblad en daar de kruidnagel in te steken. Anders vind je die nooit meer terug. Stoof dit ca. 1,5 tot 2 uur zachtjes, met de deksel op de pan.
Schep de bouten uit de pan, en haal het vlees van de botten. Verwijder het laurierblad met de kruidnagel.
Doe het vlees terug in de pan, en voeg de kastanjechampignons toe. Verkruimel de ontbijtkoek en voeg toe, samen met de stroop. Laat zachtjes nog eens 20-30 minuten stoven.
Eventueel kun je het nu een dag in de koelkast zetten, zodat de smaak nog wat verder ontwikkeld.
Lekker met aardappelpuree en bijvoorbeeld rode kool, of met tagliatelle en groene groente.